naar top
Menu
Logo Print
24/01/2019 - LIEN GOETHALS

BESLAG VAN NOOD- EN PANIEKDEUREN

TWEE DEFINITIES, TWEE NORMEN

paniekdeurenDe wetgeving rond de veiligheidsuitgangen draait momenteel om twee afgelijnde Europese normeringen. Deze leggen binnen een gecertificeerde vrijgave heel strikt de randvoorwaarden op waaraan hetzij nood-, hetzij paniekdeuren moeten voldoen. Naast enkele basisvoorwaarden, zoals de obligate draaizin naar buiten toe, werd er voor beide varianten in een veeleisend lastenboek voorzien. Dit had ten tijde van zijn introductie voor de fabrikanten van het deurbeslag belangrijke consequenties. De strenge reglementering noopte de fabrikant voor het gros van zijn systemen namelijk terug naar de tekentafel. Vooral de nominale krachten op pakweg de deurkrukken of slotenmechanismes bij zowel vergrendeling als ontgrendeling dienden opnieuw overwogen en getaxeerd te worden.

NOODUITGANGEN: NORM EN 179

Voor gebouwen waar de aanwezigen de facto vertrouwd zijn met het noodplan. Goede voorbeelden zijn kantoorcomplexen waar het personeel regelmatig aan de wettelijk ver­plichte evacuatieoefeningen deelneemt. Zowel evacuatiewegen en verzamelplaatsen als uiteindelijk ook de locatie van de nooddeuren zijn bijgevolg gekend, waardoor het risico op een echte panieksituatie in het geval van een calamiteit eerder klein blijft. De ontgrendeling van een nooddeurslot kan dan ook via een klassieke kruk, die wel separaat naar EN 179 moet zijn gecertificeerd. Het slotmechanisme zelf is dit uiteraard ook en het kan, in vergelijking met een echt paniekslot, een stuk soepeler worden uitgevoerd. De plaatsing van een (horizontale) pushbar is voor nooddeuren ook niet verplicht. Het belangrijkste argument daarvoor is de typische meerlast in het geval van calamiteiten, en dan meer bepaald bij een brand. Voor nooddeuren gaat men ervan uit dat die in hoofdzaak door de bijdrage van het kromtrekken onder invloed van thermische uitzetting wordt bepaald.

PANIEKUITGANGEN: NORM EN 1125

Deze norm gaat ten opzichte van de EN 179 uit van een quasi tegenovergesteld principe. Ze veronderstelt immers situaties zoals in bioscopen, feestzalen en openbare bibliotheken, waar de bezoeker niet vertrouwd is met het bestaande veiligheidsprotocol. Doorgaans is dit type publiek ook in grotere aantallen aanwezig in het gebouw en zal het de voorziene vluchtroutes bij calamiteiten niet rustig gaan op­zoeken. In noodsituaties speelt al gauw het principe van ‘ieder voor zich’, wat in vele gevallen richting paniek escaleert. Aan een slot voor EN 1125-toepassingen (paniekdeuren) worden daarom veel hogere eisen gesteld: pushbars zijn hier bijvoorbeeld sowieso verplicht. De idee hierachter is gebaseerd op het geheel van reflexmatige reacties die een mensenmassa in paniek zal vertonen. Een van de belangrijkste reflexen is het veroorzaken van een hoge voorlast op de vergrendelmechaniek van de veiligheidsdeur, ingegeven door overlevingsdrang: elk individu wil als eerste en desnoods enige naar buiten, meestal door alle andere individuen weg te dringen. Ook gaat men ervan uit dat dit type deur onderaan een trap kan staan, waardoor mensen in de hevige rookontwikkeling met grote aantallen van de trap kunnen afrollen en zich tegen de deur gaan opstapelen. Dit veroorzaakt een belangrijke bijkomende be­lasting op de verschillende sluitpunten van de deur.

paniekdeurVoor een efficiënte ontgrendeling worden pushbars daarom uitgesproken uit het deurvlak gemonteerd. Bij de minste belasting op de pushbar opent de deur zich, waarna de evacuatie kan starten. Dit ver­onderstelt een slotmechanisme met hoge soepelheid, dat ook onder extreme voorbelasting, zowel thermische als paniekbelasting, op de sluitpunten toch nog tot een ontgrendeling zal komen. Ook pushbarsystemen moeten daarom afzonderlijk gekeurd worden voor een vrijgave binnen de EN 1125-normering.

SLOTMECHANIEK EN SLUITFUNCTIES

Sommige slotenfabrikanten koppelen als surplus ook een brandwerende functionaliteit aan hun slot. Dit om zowel een functionele als dimensionale integriteit te waarborgen binnen die tijdspanne. Dit is heel belangrijk voor de betrouwbaarheid van de diverse sluitfuncties, zoals ze individueel in de beide normen worden beschreven.

De wisselfunctie E

Dit systeem maakt het mogelijk om de deur vanaf de bui­tenzijde via een sleutel te ont­grendelen. Het komt neer op de mogelijkheid om de dag­schieter in te trekken via een sleutelfunctie. Dat betekent ook dat de functie E de enige is waarbij er aan de buitenkant geen klink of kruk hoeft te zitten.

De doorgangsfunctie D

Deze gaat uit van een inbraak­werende functionaliteit. Aan de buitenkant van het deurblad bevindt zich een kruk die je vlot kunt bewegen, maar waarmee je de deur niet kunt openen. De kruk wordt pas nuttig bij een acti­vering van binnenuit: wanneer men vanaf de binnenzijde de kruk omlaagduwt of in het geval van de EN 1125 de pushbar bedient, wordt alles ontgrendeld en zal bovendien automatisch ook de buitenkruk mee worden geactiveerd, zodat de hulpdiensten ook van buitenaf de deur kunnen openen.

De omschakelfunctie B

Het is eigenlijk een afgeleide van de D-functie die de veiligheidsfunctie combineert met een bij­komende inbraakwering. Er is, net als bij de D-variant, ook een buitenkruk voorzien. Alleen wordt die bij het omdraaien van de binnenkruk of het indrukken van de pushbar niet automatisch geactiveerd. Ze blijft in principe functieloos en kan enkel aangesproken worden via een externe sleutel die men een kwartslag dient te verdraaien. Men kan dan ook de buitenkruk bedienen om via deze deur toegang tot het gebouw te verkrijgen, ideaal voor hulpdiensten. De omschakelfunctie B ziet men daarom vaak bij grote bedrijven, waarbij de sleutel bij de portier of bewakingsdienst wordt bewaard of ingesloten zit bij het noodplan voor de brandweer.

nooddeurCOMPATIBILITEIT ALS AANDACHTSPUNT

De elementen die de eindfunc­tionaliteit van het beslag aan een nood- of paniekdeur uit­maken, moeten met elkaar compatibel zijn. Een kritisch punt is o.m. de openingshoek van de pushbar voor een EN 1125-gekeurd slotsysteem: die moet aangepast zijn aan de in­terne koers van de slotmechaniek. Sloten die berekend werden op een pushbaropening van bv. 45°, krijg je met een eveneens gekeurde pushbar met een opening van 42° nooit volledig ontgrendeld. De sluitpunten blijven immers ook bij eindeloop nog enkele millimeters uit de stalen voorplaat steken, een fenomeen dat nog wordt vermenigvuldigd door de thermische uitzetting. Het is een belangrijk aandachtspunt wanneer de verschillende beslagelementen separaat aangekocht worden. Om op een en ander te anticiperen, voorziet de industrie intussen referentielijsten die een snelle controle van de compatibiliteit mogelijk maken. Alle componenten moeten uiteraard naar een keuring (lees norm) herleidbaar zijn.